Groep 1/2    Groep 3    Groep 4    Groep 5    Groep 6    Groep 7    Groep 8      Volg ons op facebook  Volg ons op twitter

Hoe werkt het?

Je kunt de kaartjes op verschillende manieren gebruiken.

Als je kiest voor informatiekaartjes dan krijg je een kaartje waarop het plaatje (of tekst) hoort bij het tekstje die eronder staat. Hiermee kunnen de kinderen zelf aan de slag. Ze kunnen elkaar een vraag stellen over het bovenste deel en zelf weten ze het antwoord omdat die eronder staat gedrukt.

Als je kiest voor husselkaartjes dan kloppen de plaatjes (of tekst) van het bovenste deel niet met de tekst die eronder staat gedrukt. Nu kun je hier verschillende spelletjes met de kinderen mee doen.

Onderaan de pagina staat nog een knop waarmee je een uitleg van de varianten kunt downloaden, hierin staan ook voorbeelden wat je met de kaartjes kunt doen.

Heb je zelf nog een verzoek voor kaartjes, klik dan hier.

Dominokaartjes gezegdes en spreekwoorden

Aan de bak komen.  Aan de boemel zijn.
Aan de kaak stellen.  Abraham of Sarah gezien.
Achter de geraniums zitten.  Achterbaks zijn.
Advocaat van de duivel spelen.  Afgezaagd zijn.
Alles kids.  Alles op haren en snaren zetten.
Alles over een kam scheren.  Als een bok op de haverkist.
Als het getij verloopt, moet men zijn bakens verzetten.  Als het kalf verdronken is, dempt men de put.
Appeltje-eitje.  Baat het niet dan schaadt het niet.
Bakzeil halen.  Balen als een stekker.
Barbertje moet hangen.  Bekaf zijn.
Bezint eer ge begint.  Blauw bloed hebben.
Blauwe maandag.  Boontje komt om zijn loontje
Boter aan de galg smeren.  Boter op je hoofd hebben.
Boter op je hoofd hebben.  Botje bij botje leggen.
Brave hendrik.  Brood en spelen.
Broodjeaapverhaal.  Broodmager zijn.
Buiten westen raken.  Dat deed hem de das om.
Dat is de hamvraag.  Dat is geen klein bier.
Dat is het hele eiereneten.  Dat is je geraden.
Dat is koffiedik kijken.  Dat klopt als een bus.
De appel valt niet ver van de boom.  De beer is los.
De beest uithangen.  De berg heeft een muis gebaard.
De bietenbrug op gaan.  De bloemetjes buitenzetten.
De bolworm hebben.  De bolworm steekt hem weer.
De bom is gebarsten.  De breeveertien op gaan.
De chemie ontbrak.  De dood in de pot.
De dood of de gladiolen.  De draak steken met iets.
De druiven zijn zuur.  De gebraden haan uithangen.
De gedoodverfde winnaar.  De haan kraaide driemaal.
De hand in eigen boezem steken.  De handdoek in de ring gooien.
De hond in de pot vinden.  De kat de bel aanbinden.
De kat op het spek binden.  De kat uit de boom kijken.
De kluts kwijtraken.  De knoop doorhakken.
De kogel is door de kerk.  De koninklijke weg gaan.
De kool en de geit sparen.  De kous op de kop krijgen.
Door dik en dun.  Driemaal is scheepsrecht.
Een adder aan zijn borst koesteren.  Een appelflauwte hebben.
Een appeltje met iemand te schillen hebben.  Een bezem in de mast voeren.
Een blauwtje lopen.  Een bord voor je kop hebben.
Een boterbriefje halen.  Een buitenbeentje zijn.
Een donkerbruin vermoeden hebben.  Een fluitje van een cent.
Een illusie armer zijn.  Een kat in de zak kopen.
Een kink in de kabel.  Een zware dobber aan iets hebben.
Eieren voor zijn geld kiezen.  Er bekaaid vanaf komen.
Er de brui aan geven.  Er de kantjes vanaf lopen.
Er is geen koe zo bont of er zit wel een vlekje aan.  Ergens acht op slaan.
Ergens de dupe zijn.  Ergens een broertje dood aan hebben
Ergens geen been in zien.  Ergens geen jota van snappen.
Ergens zijn aspergebedden aanleggen.  Eruitzien als de dood van Ieperen.
Flink in de bus blazen. 
 
Geef ze van jetje.
Geen cent te makken.  Geen knip voor de neus waard zijn.
Gewogen en te licht bevonden.  Goedkoop is duurkoop.
Grip op iets krijgen.  Haar op de tanden hebben.
Hand-en-spandiensten.  Heg noch steg weten.
Heitje voor een karweitje.  Het afleggen.
Het gaat er Hoeks en Kabeljauws aan toe.  Het gaat me niet in de koude kleren zitten.
Het geheim van de smid.  Het heen-en-weer krijgen.
Het hemd is nader dan de rok.  Het in Keulen horen donderen.
Het is doorgestoken kaart.  Het is zo klaar als een klontje.
Het op je heupen krijgen.  Het te gortig maken.
Het zijn niet allen koks die lange messen dragen.  Hoteldebotel zijn.
Hou je haaks.  Huilen met de pet op.
Hutje bij mutje leggen.  Iemand carte blanche geven.
Iemand een hart onder de riem steken.  Iemand op de kast jagen.
Iemand op de korrel nemen.  Iemand op zijn falie geven.
Iemand over de hekel halen.  Iemand te grazen nemen.
Iemands doopceel lichten.  Iets blauwblauw laten.
Iets de kop indrukken.  Iets met argusogen bekijken.
Iets onder de knie krijgen.  Iets op de keper beschouwen.
Iets op de kop tikken.  Iets op je bord krijgen.
Iets op je brood krijgen.  Iets op je buik schrijven.
Iets van je gading vinden.  IJs en weder dienende.
In conclaaf gaan.  In de aap gelogeerd.
In de bonen zijn.  In de bres springen.
In de contramine zijn.  In een goed blaadje proberen te komen
In een ivoren toren zitten.  In het gareel lopen.
In het geniep.  In het gevlij komen.
In het huis van de gehangene spreekt men niet van de strop.  In het krijt staan.
In kannen en kruiken.  Je biezen pakken.
Je gedeisd houden.  Je hachje proberen te redden.
Je handjes mogen dichtknijpen.  Je kunt me de bout hachelen.
Je moet het ijzer smeden als het heet is.  Joost mag het weten.
Kat in het bakkie.  Kielekiele.
Koek en ei.  Komt voor de bakker.
Kortaangebonden zijn.  Korte metten maken.
Koste wat het kost.  Kraak noch smaak hebben.
Lachen als een boer met kiespijn.  Met de Franse slag.
Met de gebakken peren zitten.  Naar de eeuwige jachtvelden vertrekken.
Naar de gallemiezen gaan.  Naar de knoppen gaan.
Niet door de beugel kunnen.  Niet in de haak zijn.
Nieuwsgierig aagje.  Nog niet droog achter de oren.
Nu komt de aap uit de mouw.  Om de haverklap.
Om de hete brij heen draaien.  Om des keizers baard.
Onder 1 hoedje spelen.  Op de bon geslingerd worden.
Op de bonnefooi.  Op de fles gaan.
Op de hak nemen.  Op eigen houtje.
Op zijn dooie akkertje.  Op zijn elfendertigst.
Over de balk gooien.  Roken als een ketter.
Te berde brengen.  Te elfder ure.
Te hooi en te gras.  Tegen heug en meug.
Twee handen op 1 buik zijn.  Van achteren kijk je de koe in de kont.
Van de blauwe knoop zijn.  Van de bok dromen.
Van de bovenste plank.  Van de hak op de tak springen.
Van een koude kermis thuiskomen.  Van haver tot gort.
Van heinde en verre.  Van het kastje naar de muur.
Van hot naar her.  Veel geschreeuw en weinig wol
Volgens Bartjens.  Voor de draad ermee!
Voor de kat zijn viool.  Wie het eerst komt, die het eerst maalt.
Zien wie de blankste billen heeft.  Zijn huik naar de wind hangen.
Zijn kont tegen de krib gooien.  Zo gek als een deur.
Zo gewonnen, zo geronnen. 
 


  Home   |   Boekrecensies   |   Contact   |   Disclaimer